Waar we de vorige keer nog hoopte dat Joris nu een vaste rustige basis had gevonden in Breda, zeker nu hij getrouwd is met Johanna. Wordt eigenlijk al vrij snel, pijnlijk duidelijk, dat dit helemaal niet zo is.
Want zoals de titel al zegt, komen we Joris met "simpel zoeken" bij open archieven, tegen in een gevangenis register van Breda.
Op 29 april 1918 stond Joris terecht voor de Arrondissementsrechtbank van Breda. De aanklacht betrof verboden vervoer.
Hij kreeg hiervoor een gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd deze heeft hij uitgezeten van 01 juli 1918 tot 30 augustus 1918.
Om dit wat dieper uit te pluizen, zocht ik het vonnis op in de arrondissementsrechtbank van Breda in 1918.
De documenten worden hieronder besproken in de volgorde waarin ze in het digitale dossier zijn opgenomen. Deze volgorde is niet altijd chronologisch.
Vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Breda 1918.
Pagina 1
Het vonnis – verboden vervoer
We hebben het vonnis uit Breda gevonden. Het betreft een zaak bij de Arrondissementsrechtbank te Breda, Tweede Kamer, waarin Joris van Beekum samen met een tweede verdachte terechtstaat.
De tweede verdachte is Christian de Lij, geboren te Breda en werkzaam als arbeider. Joris wordt in het vonnis omschreven als schoenmaker, geboren op 31 januari 1893 te Delft en woonachtig in Breda. Bij zijn naam staat als adres de Haagdijk vermeld.
Opvallend is dat beide verdachten niet op de zitting zijn verschenen. De rechtbank behandelt de zaak daarom bij verstek.
Uit de tenlastelegging blijkt dat de zaak betrekking heeft op het vervoeren van goederen in een andere dan binnenlandse richting, zonder de daarvoor vereiste documenten. Het gaat hierbij om overtreding van artikel 1, onder e en f, van het Koninklijk Besluit van 17 februari 1916.
De rechtbank verwijst naar een proces-verbaal dat op ambtseed is opgemaakt door G.J. Meijer. Aan het einde van het vonnis wordt ook gesproken over de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.
Wat er precies vervoerd werd, onder welke omstandigheden dit gebeurde en welke rol Joris hierin had, moet uit de verdere stukken van het vonnis blijken.
Pagina 2 & 3
Wat vervoerden Joris en zijn medeverdachte?
In het vervolg van het vonnis wordt duidelijker wat er precies is gebeurd.
Op 21 maart 1918 was de verbalisant in dienst onder de gemeente Princenhage. Tijdens zijn werkzaamheden zag hij twee personen lopen in een andere dan binnenwaartse richting. Hij hield de mannen staande om te onderzoeken of zij goederen vervoerden.
Bij controle bleek dat de twee mannen een hoeveelheid zeep bij zich hadden. De verbalisant vroeg hen vervolgens om een binnenlands paspoort of een geldig document voor de uit- of doorvoer van de goederen.
Beide mannen verklaarden dat zij dergelijke documenten niet bij zich hadden. Hierop werden hun namen genoteerd: Christian de Ley, arbeider uit Breda, en Joris van Beekum, schoenmaker uit Delft en woonachtig in Breda.
De vervoerde zeep werd in beslag genomen.
Opvallend is dat het hier dus niet om een gewone diefstal ging, maar om het vervoeren van goederen zonder de vereiste papieren. In de periode waarin dit gebeurde golden hiervoor specifieke regels op grond van het Koninklijk Besluit van 17 februari 1916.
Pagina 4 & 5
De rechtbank acht de beschuldiging bewezen
Op de volgende pagina van het vonnis wordt duidelijk hoe de rechtbank tegen de zaak aankijkt.
De rechtbank stelt vast dat Joris van Beekum en Christian de Ley op 21 maart 1918 in Princenhage een hoeveelheid zeep hebben vervoerd zonder de vereiste documenten voor uit- of doorvoer en zonder dat het vervoer werd gedekt door een binnenlands paspoort.
De rechtbank verklaart vervolgens dat het ten laste gelegde feit en de schuld van beide verdachten daaraan wettig en overtuigend zijn bewezen.
Het bewezen feit wordt juridisch gekwalificeerd als het vervoeren van goederen in een andere dan binnenwaartse richting, zonder de daarvoor vereiste documenten.
Daarmee staat vast dat de rechtbank beide mannen schuldig acht aan het verboden vervoer. De uiteindelijke strafoplegging volgt verderop in het vonnis.
Pagina 6 & 7
De uitspraak van de rechtbank
Op 29 april 1918 doet de Arrondissementsrechtbank te Breda uitspraak in de zaak tegen Joris van Beekum en Christian de Ley.
De rechtbank verklaart beide verdachten schuldig aan het verboden vervoer van goederen zonder de vereiste documenten.
In het vonnis wordt een gevangenisstraf van twee maanden genoemd. Bij deze passage zijn echter handgeschreven wijzigingen aangebracht, waaronder een verwijzing naar een tuchtschool. De precieze betekenis hiervan moet nog nader worden uitgezocht.
Ook verklaart de rechtbank de in beslag genomen goederen verbeurd. De hoeveelheid zeep die de mannen vervoerden, wordt dus definitief ontnomen.
Bij het dossier is bovendien een officieel uittreksel uit het geboorteregister van Delft gevoegd. Dit document, afgegeven op 27 maart 1918, bevestigt dat Joris op 31 januari 1893 werd geboren als zoon van Pieter Cornelis van Beekum en Sara van Yperen.
Pagina 8 & 9
De dagvaarding
Tussen de stukken van het vonnis vinden we ook de dagvaarding van Joris van Beekum en Christian de Ley.
Op 25 maart 1918 werd besloten beide mannen voor de Arrondissementsrechtbank te Breda te laten verschijnen. In de dagvaarding worden hun namen, geboortegegevens, beroepen en woonadressen vermeld.
Hierbij valt iets bijzonders op: Christian de Ley was geboren op 1 juni 1903 en was op dat moment pas 14 jaar oud. Hij was dus nog minderjarig. Bij de dagvaarding wordt daarom een raadsman aan hem toegevoegd. Ik lees hierbij de naam Mr. H. Reijerman, advocaat te Breda.
Joris was met zijn 25 jaar uiteraard wel meerderjarig.
Beide mannen werden opgeroepen om op maandag 15 april 1918 om 10.00 uur te verschijnen bij de Arrondissementsrechtbank in het Paleis van Justitie te Breda.
Zoals we op de eerdere pagina's zagen, zijn beide verdachten uiteindelijk niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de zaak daarom bij verstek behandeld.
Pagina 10 & 11
De dagvaarding wordt uitgereikt
Op 3 april 1918 werd de dagvaarding officieel uitgereikt. De deurwaarder bezocht hiervoor het woonadres van Joris en sprak daar met zijn inwonende echtgenote. Bij de minderjarige Christian de Ley werd de dagvaarding uitgereikt aan zijn ouders, Antonius Johannes de Ley en Ebonella Maas.
Hiermee waren beide verdachten officieel op de hoogte gebracht van de rechtszaak die op 15 april 1918 zou plaatsvinden.
Pagina 12 & 13
Het verhoor van Abraham van Biene
Tussen de processtukken vinden we ook een verhoor van een andere betrokkene: Abraham van Biene.
Het verhoor werd op 22 maart 1918 afgenomen door de rechter-commissaris van de Arrondissementsrechtbank te Breda. Abraham was geboren op 12 juni 1900 te Breda, was kleermaker en op dat moment nog minderjarig.
Tijdens het verhoor verklaarde Abraham dat hij op 21 maart 1918 goederen had vervoerd in de richting van de Belgische grens. Het was zijn bedoeling geweest om deze goederen naar België uit te voeren.
Hij vertelde dat hij ongeveer een hoeveelheid zeep bij zich had en dat hij zijn plan niet had kunnen uitvoeren, omdat hij onderweg door de betreffende ambtenaren was aangehouden. De goederen werden vervolgens in beslag genomen.
Abraham verklaarde hiermee dat het zijn bedoeling was geweest de goederen naar België te vervoeren. Zijn verhoor geeft ons daarmee een duidelijker beeld van de bestemming van de zeep die bij de controle in beslag werd genomen.
Ook Abraham komt in een afzonderlijke dagvaarding voor. Het lijkt er dus op dat hij naast de zaak tegen Joris en Christian eveneens voor de rechtbank moest verschijnen.
Pagina 14 & 15
Het oorspronkelijke proces-verbaal
Vervolgens komen we bij het oorspronkelijke proces-verbaal van de ambtenaren van de Directe Belastingen, Invoerrechten en Accijnzen, die gestationeerd waren te Princenhage.
In dit proces-verbaal worden drie personen genoemd die op 21 maart 1918 werden aangetroffen tijdens het vervoer van goederen in de richting van de Belgische grens.
Het gaat om Christian de Ley, Abraham van Biene en Joris van Beekum.
Joris staat als derde vermeld. Zijn gegevens worden opnieuw bevestigd: geboren op 31 januari 1893 te Delft, van beroep schoenmaker en woonachtig aan de Haagdijk 61 te Breda.
De betrokken personen werden afzonderlijk gevraagd of zij beschikten over de benodigde documenten voor het vervoer van de goederen. In het proces-verbaal wordt genoteerd dat zij deze niet bezaten en daartoe ook niet gerechtigd waren.
Bij nader onderzoek bleek het te gaan om een aanzienlijke hoeveelheid harde zeep. In het proces-verbaal worden verschillende partijen beschreven:
-
8 kilogram zeep in één stuk;
-
39 kilogram zeep in twee zakken;
-
41 kilogram zeep in twee zakken;
-
46 kilogram zeep in twee zakken.
In totaal gaat het daarmee om ongeveer 134 kilogram zeep.
De goederen werden in beslag genomen en overgebracht naar de griffie van de Arrondissementsrechtbank te Breda.
Het proces-verbaal werd op 22 maart 1918 te Princenhage afgesloten.
Joris komt terecht in Veenhuizen
Na het vonnis van de Arrondissementsrechtbank in Breda vinden we Joris terug in het gevangenisregister van Veenhuizen.
Ook hier worden zijn persoonlijke gegevens vermeld. Hij staat geregistreerd als Joris van Beekum, geboren op 31 januari 1893 te Delft, van beroep schoenmaker en gehuwd. Als woonplaats wordt Breda genoemd.
Bij de omschrijving van het strafbare feit staat 'verboden vervoer'. Het register vermeldt een opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, met als datum van de rechterlijke uitspraak 29 april 1918.
Hiermee krijgen we ook een duidelijker beeld van de gevolgen van de zaak. Het vervoer van de partij zeep zonder de vereiste documenten leidde uiteindelijk tot een gevangenisstraf voor Joris.
Na de rechtszaak in Breda kwam hij dus terecht in Veenhuizen.
Tot slot
Wat begon als een vrij eenvoudige zoektocht in de archieven, heeft uiteindelijk een heel ander verhaal opgeleverd dan ik vooraf had verwacht.
Joris, die nog maar relatief kort daarvoor met Johanna was getrouwd en in Breda een nieuw bestaan leek te hebben opgebouwd, duikt in 1918 opnieuw op in de strafrechtelijke archieven. Dit keer vanwege verboden vervoer van zeep richting de Belgische grens.
En juist dat laatste maakt deze zaak extra interessant. We zitten inmiddels midden in de Eerste Wereldoorlog. Nederland is weliswaar neutraal, maar de oorlog heeft ook hier grote gevolgen. Er ontstaan tekorten aan goederen, de handel wordt aan banden gelegd en het vervoer over de grens wordt streng gecontroleerd.
Of Joris bewust betrokken was bij smokkel om aan de oorlogsomstandigheden te verdienen, of dat er een andere reden achter het transport zat, kunnen we op basis van de gevonden stukken niet vaststellen. Maar de omstandigheden waarin dit gebeurde, zijn onmiskenbaar onderdeel van het verhaal.
Uiteindelijk vinden we Joris terug in het gevangenisregister van Veenhuizen. Een nieuwe periode in zijn leven, waarvan we nog niet alle details kennen.
Voorlopig is dit weer een stukje van Joris' leven dat ik aan de familiegeschiedenis kan toevoegen. En opnieuw blijkt dat zijn leven in Breda bepaald niet zo rustig verliep als ik misschien had gehoopt.
De zoektocht gaat verder!
Maak jouw eigen website met JouwWeb